De Bornse Melbuul’ndagen, het grootste Twentse oogstfeest!

In 1976 is de stichting Melbuul’ndagen Borne opgericht met als doel het oogstfeest in ere te herstellen. Sindsdien worden er jaarlijks onder de noemer Melbuul’ndagen tal van festiviteiten in het centrum van Borne gehouden. Het feest trekt steevast duizenden bezoekers uit heel Twente en heeft in de regio dan ook een goede naam en traditie opgebouwd rond het laatste weekend van augustus.

Achtergrondinformatie ontstaan Bornse Melbuul’ndagen
De Melbuul’ndagen is het enige echte Twentse oogstfeest. De basis voor het feest ligt in de oorsprong van Borne, toen het nog een agrarisch dorp was.

Vroeger

Vroeger werd de rogge gemaaid en in schoven gezet. Als alle schoven op het land klaar stonden, kwam de boer vervolgens met jenever om te trakteren. Men mocht zoveel drinken als men wilde. Deze traditie wordt ook door de stichting Melbuul’ndagen in ere gehouden op de jaarlijkse roggemaaiersdag kort voor de eigenlijke Melbuul’ndagen, die steevast het laatste weekend van augustus plaatsvinden.

Zo gauw de oogst werd binnengehaald, vond er vervolgens een oogstfeest plaats. Dan was immers de basis gelegd voor het uiteindelijke brood, dat de bakker moest bakken. Dit oogstfeest is in Borne sinds 1975 weer in ere hersteld en is genoemd naar de bijnaam van de Bornenaren, Melbuul’n.

Zoals het vroeger ging, worden de schoven ook vandaag de dag nog op een platte wagen en op feestelijke wijze Borne binnengehaald. Daarna werd de oogstgave geschonken aan een goed doel. Ook deze traditie zetten wij voort tijdens de opening van de Melbuul’ndagen. Na dit ceremoniële gebeuren vinden er tijdens de Melbuul’ndagen folklore en traditionele gebruiken plaats. Zo wordt de rogge met dorsvlegels gedorst en wordt met wannen het kaf van het koren gescheiden.

Historie van Borne

Het van oorsprong agrarische Borne was het dorp van boeren en huiswevers. Borne, Borghende of Burgunde zoals het vroeger heette, was een plaats waar de boeren hun graan tot vermaling aanboden. Er waren dan ook enkele molens. Ging het aanvankelijk vooral om boekweit, later werd dit product verdrongen door andere graansoorten. Sinds de 18e eeuw is het vooral de malerij en grutterij van Ten Cate, later Erven Weduwe Ten Cate, geweest die het ‘meelgezicht’ van Borne, dat later de bijnaam Melbuul’ndorp kreeg, heeft bepaald.

Van meelzak tot Melbuul
Het malen of breken van de boekweit tot grutten gebeurde al vroeg op meer industriële wijze. Tot lang na de 2e Wereldoorlog kende iedereen in Twente de wagens van Ten Cate. Ze reden met hun reclametekst ”Eet meer pannenkoek” door de wijde omgeving. De arbeiders en ook de vrachtrijders van ten Cate, met hun met meel bestoven kleren en gezichten, droegen vaak een naar binnen gevouwen zak als een soort puntmuts op het hoofd om het instuiven van meel in hun kleren te voorkomen: de echte Melbuul (dus Twents voor meelzak)!

Buul, zak of slurf
Met dat begrip “buul” hebben echte insiders van onze streektaal wat moeite. Een buul is vaak meer een papieren zak. De arbeiders van Ten Cate zelf zouden met “de buul” de lange linnen slurf hebben bedoeld, waardoor men meel van de bovenverdieping naar de begane grond stortte. In die betekenis is de bijnaam dan wat minder vleiend.

Van graan tot meel
Tarwehalmen of aren bevatten graankorrels, die tot meel gemalen worden alvorens de bakker er brood van kan bakken. Voordat het zover is, moeten er vijf handelingen worden uitgevoerd: het maaien, het dorsen, het wannen, het opslaan en het malen.

Het maaien
Als het graan of koren rijp is wordt het geoogst. De korenhalmen worden op grondhoogte afgesneden. Vroeger gebeurde dit met sikkelvormige messen uit vuursteen. Later werd de vuursteen vervangen door brons en ijzer. De Kelten gebruikten als eerste de zeis, terwijl de Galliërs (ten tijde van de Romeinen) maaimachines hadden die door ossen of muilezels getrokken werden.

Het dorsen
Na het maaien werd het koren naar de boerderij gebracht. De graankorrels werden daar vervolgens gescheiden van de aren. Egyptenaren, Grieken en Romeinen lieten ossen of ezels over de halmen stappen tot de korrels blootlagen. In de middeleeuwen werden de ossen en ezels vervangen door de dorsvlegel. Dit werktuig werd nog tot in het midden van de 20e eeuw gebruikt. Het dorsen was een zware klus en werd altijd met z’n tweeën of in kleine groepjes uitgevoerd.

Het wannen
Door te wannen scheidt men het kaf (= het beschermende omhulsel van dorre schutblaadjes die rond de graankorrel zitten) van het koren. Dit gebeurde vroeger met een zeef of een wan. Deze had de vorm van een platte mand. Het graan werd in de wan geschud, zodat het lichte kaf, onkruid en andere zaadjes wegwaaiden en de zwaardere graankorrels in de wan achterbleven. Later werd de wanmolen uitgevonden die dit werk een stuk vergemakkelijkte.

Het opslaan
Vroeger sloeg de boer het graan op in graanzolders en schuren. Dit gaf veel problemen, omdat de korrels ook geliefd zijn bij ratten en muizen. Zij aten het graan in de opslagruimtes graag op en bovendien bevuilden ze met hun uitwerpselen het opgeslagen graan.

Het malen
Het meel voor het bakken van brood wordt verkregen door graan te malen of fijn te stampen. Vroeger maalde men het graan tussen twee molenstenen. Deze stenen werden gemonteerd in een molen die door mensen of dieren in beweging gebracht werden. Later werden natuurkrachten gebruikt om molens te laten draaien: water (watermolen) en wind (windmolen). James Watt vond aan het einde van de 18de eeuw de stoommachine uit. Dit werd de voorloper van de hedendaagse, moderne, elektrische maalderijen.